Hoofdstuk 5
Cocaïne en crack-cocaïne

Aanvoer en beschikbaarheid van cocaïne (133)

Productie en handel

Cocaïne is na cannabisbladeren en cannabishars de meest verhandelde drug ter wereld. Op basis van de geconfisqueerde hoeveelheden – wereldwijd 578 ton in 2004 – kan worden geconcludeerd dat de handel nog steeds voornamelijk in Zuid-Amerika (44%) en Noord-Amerika (34%) plaatsvond, gevolgd door West- en Midden-Europa (15 %) (CND, 2006).

Colombia is verreweg ‘s werelds grootste leverancier van illegale coca, gevolgd door Peru en Bolivia. Naar schatting is de mondiale productie van cocaïne in 2004 gestegen tot 687 ton, waarvan 56% afkomstig is uit Colombia, 28% uit Peru en 16% uit Bolivia (UNODC, 2005). De meeste cocaïne die in Europa in beslag wordt genomen, komt rechtstreeks uit Zuid-Amerika (met name Colombia), of komt via Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied Europa binnen. In 2004 zijn ook Suriname, Brazilië, Argentinië, Venezuela, Ecuador, Curaçao, Jamaica, Mexico, Guyana en Panama genoemd als doorvoerlanden voor de invoer van cocaïne in de EU (nationale Reitox-verslagen, 2005; WDO, 2005; CND, 2006; INCB, 2006a; Europol, 2006). Daarnaast is er cocaïne via Afrika binnengekomen, in toenemende mate via West-Afrika en de landen aan de Golf van Guinee (voornamelijk Nigeria), maar ook vanuit Oost-Afrika (Kenia) en Noordwest-Afrika via de eilanden langs de kust van Mauritanië en Senegal (CND, 2006; INCB, 2006a). Cocaïne komt nog steeds voornamelijk de EU binnen via Spanje, Nederland en Portugal, evenals België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (nationale Reitox-verslagen, 2005; CND, 2006; Europol, 2006). Hoewel Spanje en Nederland nog altijd een belangrijke rol spelen als distributiecentra voor de cocaïne die de EU binnenkomt, zouden de opgevoerde controles langs de Spaanse noordkust (Galicië) en het 100%-controlebeleid op vluchten vanuit bepaalde landen (134) op Luchthaven Schiphol (Amsterdam) bijgedragen kunnen hebben tot de ontwikkeling van alternatieve routes, bijvoorbeeld routes via Afrika (in toenemende mate een doorvoerroute), maar ook via Oost- en Midden-Europa, met secundaire distributie daarvandaan naar West-Europa (nationale Reitox-verslagen, 2005; WDO, 2005; INCB, 2006a).

Vangsten

In 2004 zijn er in de EU zo’n 60 000 vangsten gedaan, samen goed voor 74 ton. De meeste cocaïnevangsten worden gemeld in West-Europese landen, met name in Spanje, dat verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vangsten en in beslag genomen hoeveelheden in de EU in de afgelopen vijf jaar (135). Over de periode 1999-2004 is het totale aantal cocaïnevangsten (136) in de EU toegenomen, terwijl de in beslag genomen hoeveelheden (137) fluctueerden, met een opwaartse tendens. Afgaande op de rapportages van de verschillende landen lijken de hoeveelheden in 2004 evenwel te zijn afgenomen – wellicht relatief ten opzichte van de uitzonderlijke hoeveelheid die in het voorgaande jaar in Spanje in beslag werd genomen.

Prijs en zuiverheid

De gemiddelde prijs van cocaïne op straathandelniveau in 2004 liep binnen de EU sterk uiteen, variërend van 41 EUR per gram in België tot meer dan 100 EUR per gram in Cyprus, Roemenië en Noorwegen (138). De gemiddelde cocaïneprijzen, gecorrigeerd voor inflatie (139), lieten over de gehele periode 1999-2004 in alle rapporterende landen een dalende lijn zien (140). Uitzonderingen zijn Luxemburg, waar de prijs tot 2002 is gedaald en sindsdien weer is gestegen, en Noorwegen, waar de prijzen in 2001 sterk zijn gestegen en vervolgens gelijk zijn gebleven.

Vergeleken met heroïne is de gemiddelde zuiverheid van cocaïne op gebruikersniveau hoog; deze varieerde in 2004 van 24% in Denemarken tot 80% in Polen, waarbij de meeste landen zuiverheden van 40-65% meldden (141). Uit de beschikbare gegevens blijkt dat over de totale periode 1999-2004 de gemiddelde zuiverheid van cocaïne in de meeste rapporterende landen is gedaald (142), hoewel deze een toename vertoonde in Estland (sinds 2003), Frankrijk en Litouwen, en in Luxemburg en Oostenrijk is gestabiliseerd.

Internationale maatregelen tegen de productie van en handel in cocaïne

Het COLA-project, dat wordt uitgevoerd door Europol, is gericht op het traceren en bestrijden van Latijns-Amerikaanse en verwante criminele organisaties die zich op de EU richten, binnen de EU opereren en zich hoofdzakelijk inlaten met de handel in cocaïne. Het project biedt met name operationele steun voor lopende onderzoeken in deelnemende lidstaten en zorgt voor een rijker aanbod aan strategische inlichtingen. Het wordt aangevuld door het Europol Cocaine Logo System, dat in een jaarlijks bijgewerkte catalogus werkwijzen en fotografische en andere informatie verzamelt over cocaïnevangsten en over logo’s/markeringen op de drugs en de verpakkingen ervan. Het doel hiervan is overeenkomsten te vinden tussen vangsten en de internationale samenwerking bij de rechtshandhaving en de uitwisseling van informatie te bevorderen (Europol, 2006).

Operatie Purple, een programma dat loopt sinds 1999, is bedoeld om te voorkomen dat kaliumpermanganaat (143) uit de legale handel wordt misbruikt voor de illegale productie van cocaïne, in het bijzonder in Noord- en Zuid-Amerika. Kaliumpermanganaat wordt op grote schaal legaal verhandeld: sinds 1999 heeft het INCB van 30 uitvoerende landen/regio’s 4 380 voorafgaande kennisgevingen van uitvoer ontvangen voor in totaal meer dan 136 560 ton kaliumpermanganaat. Sinds 1999 zijn er 233 zendingen van in totaal meer dan 14 316 ton kaliumpermanganaat onderschept en in beslag genomen, omdat er twijfel bestond omtrent de legitimiteit van de orders of eindgebruikers. Daarbij werden gevallen van misbruik vastgesteld. In 2004 werd in Europa 1,4 ton kaliumpermanganaat in beslag genomen, hoofdzakelijk in de Russische Federatie, gevolgd door Roemenië en Oekraïne (144) (INCB, 2006b).

Het lijkt erop dat smokkelaars manieren hebben gevonden om buiten het bereik te kunnen blijven van de in het kader van operatie Purple ingevoerde inspecties en controlemechanismen. Hoewel Azië geen rol speelt bij de illegale productie van cocaïne, groeit namelijk het vermoeden dat smokkelaars zich op dat continent richten om kaliumpermanganaat aan de legale handel te onttrekken. Bovendien groeit het vermoeden dat smokkelaars een route via de Caribische eilanden naar de Andes-subregio gebruiken. Hoewel het INCB (2006b) erkent dat er enig succes is geboekt in het opsporen van verdachte transacties en het onderscheppen van zendingen, heeft het regeringen dan ook aangespoord operationele procedures te ontwikkelen om aan de hand van informatie uit opgerolde cocaïnelaboratoria het spoor van chemicaliën tot de bron te volgen, na te gaan wat de doorvoerlanden zijn en onderzoek te verrichten bij handelsondernemingen, zodat het de smokkelaars lastiger gemaakt zou kunnen worden om hun activiteiten te verplaatsen.

Prevalentie en patronen van cocaïnegebruik

Op basis van recente bevolkingsenquêtes wordt geschat dat ongeveer 10 miljoen Europeanen (145), dat wil zeggen ruim 3% van alle volwassenen (146), minstens één keer in hun leven cocaïne hebben gebruikt (“ooit”-gebruik). Nationale cijfers over het aantal mensen dat verklaart cocaïne gebruikt te hebben lopen uiteen van 0,5% tot 6%, waarbij Italië (4,6%), Spanje (5,9%) en het Verenigd Koninkrijk (6,1%) de hoogste percentages rapporteren. Naar schatting hebben ongeveer 3,5 miljoen volwassenen, ofwel 1% van alle volwassenen, de afgelopen 12 maanden cocaïne gebruikt. Nationale cijfers liggen in de meeste landen tussen 0,3 en 1%, hoewel de prevalentieniveaus in Spanje (2,7%) en het Verenigd Koninkrijk (2%) hoger liggen.

Cocaïne wordt, net zoals andere illegale drugs, het meest door jongvolwassenen gebruikt. Het “ooit”-gebruik is het hoogst onder jongvolwassenen van 15-34 jaar, hoewel het recent gebruik (laatste 12 maanden) iets hoger is onder 15- tot 24-jarigen. Het lijkt erop dat cocaïne hoofdzakelijk een drug is die wordt gebruikt door twintigers, al is het gebruik van cocaïne minder geconcentreerd onder jongere mensen dan het gebruik van cannabis. Het “ooit”-gebruik onder 15- tot 34-jarigen varieert van 1 tot 10 %, waarbij de hoogste percentages wederom in Spanje (8,9 %) en het Verenigd Koninkrijk (10,5 %) worden aangetroffen. Het recent gebruik (laatste 12 maanden) loopt uiteen van 0,2 tot 4,8%, waarbij de cijfers voor Denemarken, Ierland, Italië en Nederland rond de 2% liggen en voor Spanje en het Verenigd Koninkrijk boven de 4%. (Figuur 6). Uit gegevens uit schoolenquêtes blijkt een zeer lage prevalentie van het “ooit”-gebruik van cocaïne, uiteenlopend van 9% in Cyprus, Finland en Zweden tot 6% in Spanje. De prevalentie van het “ooit”-gebruik van crack-cocaïne is nog lager; hier variëren de cijfers van 0 tot 3% (Hibell et al., 2004).


Figuur 6 Recent gebruik (laatste 12 maanden) van cocaïne onder alle volwassenen (15-64 jaar) en jongvolwassenen (15-34 jaar en 15-24 jaar)

NB:

De gegevens zijn ontleend aan de meest recente nationale enquêtes die in elk land beschikbaar waren op het moment van rapportage. Zie voor nadere informatie de tabellen GPS-8, GPS-11 en GPS-18 in het Statistical Bulletin 2006.

Bronnen:

Nationale Reitox-verslagen (2005), gebaseerd op enquêtes onder de bevolking, onderzoeksverslagen of wetenschappelijke artikelen.

print


Het cocaïnegebruik is relatief het hoogst onder jonge mannen. Zo blijkt uit enquêtes in Denemarken, Duitsland, Spanje, Italië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen dat het “ooit”-gebruik onder 15- tot 34-jarige mannen varieert tussen de 5 en 14%. Het recent gebruik (laatste 12 maanden) was lager, maar in vier landen werden percentages gemeld van meer dan 3%, terwijl Spanje en het Verenigd Koninkrijk cijfers meldden van ongeveer 6-7% (147), hetgeen erop duidt dat ongeveer 1 op de 15 jonge mannen in deze landen in de laatste 12 maanden cocaïne heeft gebruikt. In stedelijke gebieden zal dit percentage aanmerkelijk hoger liggen.

Onder de algemene bevolking wordt cocaïne naar het zich laat aanzien slechts incidenteel gebruikt. Het gebruik vindt hoofdzakelijk plaats tijdens het weekend en in recreatieve settings (cafés en disco’s); daarbij gaat het soms om hoge gebruikspercentages. Onderzoeken onder jongeren in dans- en muziekgelegenheden in verschillende landen geven veel hogere prevalentieschattingen voor het gebruik van cocaïne onder deze groep dan onder de algemene bevolking, met waarden voor het “ooit”-gebruik die uiteenlopen van 10 tot 75% (zie de speciale kwestie over drugsgebruik in recreatieve settings). In de British Crime Survey 2004/2005 bijvoorbeeld werd voor het gebruik van “klasse A”-drugs onder jongeren die disco’s en nachtclubs bezoeken een prevalentieschatting gerapporteerd die tweemaal zo hoog lag als het percentage onder jongeren die deze gelegenheden niet bezoeken (Chivite-Matthews et al., 2005) (zie ook de speciale kwestie over drugsgebruik in recreatieve settings). Gemiddeld heeft bij ongeveer een derde van alle Europese volwassenen die ooit cocaïne hebben gebruikt, dit gebruik in de afgelopen 12 maanden plaatsgevonden. Ter vergelijking: slechts 13% geeft aan de afgelopen 30 dagen cocaïne te hebben gebruikt. Zo geeft 2-4% van de mannen van 15-24 jaar in Spanje, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Bulgarije (148) aan de voorgaande 30 dagen cocaïne te hebben gebruikt. Een ruwe schatting van het recent gebruik van cocaïne in Europa zou uitkomen op ongeveer 1,5 miljoen volwassenen van 15-64 jaar (met 80% in de leeftijdscategorie 15-34 jaar). Dit kan worden beschouwd als een minimumschatting, gezien de waarschijnlijkheid van onderrapportage.

Patronen van cocaïnegebruik lopen sterk uiteen in de verschillende gebruikersgroepen. Uit een recent Europees onderzoek in meerdere steden is naar voren gekomen dat de overgrote meerderheid (95%) van de sociaal geïntegreerde gebruikers cocaïne snuift, terwijl slechts een klein percentage ooit cocaïne heeft gerookt of gespoten. De drug wordt echter zeer vaak in combinatie met cannabis en alcohol gebruikt (Prinzleve et al., 2004). Onder gebruikers in de verslavingszorg of in sociaal gemarginaliseerde groepen komt injectie van cocaïne veel voor en het roken van crack is gebruikelijk in Hamburg, Londen en Parijs, en in mindere mate in Barcelona en Dublin. Onder de algemene Europese bevolking lijkt weinig crack te worden gebruikt. Zo werd in Spanje een prevalentie van het “ooit”-gebruik van crack gerapporteerd van 0,5% (2003) en in het Verenigd Koninkrijk van 0,8 % (Chivite-Matthews et al., 2005). In drie landen is het “ooit”-gebruik van crack in clubs onderzocht; het bleek nog lager dan het gebruik van heroïne (Tsjechië 2%, Verenigd Koninkrijk 13% en Frankrijk 21%). In sommige steden is het crackgebruik onder gemarginaliseerde groepen en opioïdengebruikers echter zorgwekkend. Zo was de geschatte prevalentie van het “ooit”-gebruik onder een doelgroep van 94 Amsterdamse straat-sexwerkers met 91% uitzonderlijk hoog (Korf, 2005, geciteerd in het Nederlandse nationale verslag).

Ter vergelijking: in de landelijke enquête onder Amerikaanse gezinnen naar drugsgebruik en gezondheid van 2004 gaf 14,2% van de volwassenen (gedefinieerd als 12 jaar en ouder) aan ooit cocaïne te hebben gebruikt - een opmerkelijk verschil met het Europese gemiddelde van 3%. Het recent gebruik (laatste 12 maanden) was 2,4%, tegen een Europees gemiddelde van 1%, hoewel de gerapporteerde cijfers in sommige EU-landen, zoals Spanje (2,7%) en het Verenigd Koninkrijk (2%), van dezelfde orde van grootte zijn als de cijfers in de Verenigde Staten (149). De relatief hogere cijfers voor het “ooit”-gebruik in de Verenigde Staten kunnen deels worden toegeschreven aan de eerdere verspreiding van cocaïnegebruik in dat land.

Onder jongvolwassenen (16-34 jaar) bedroegen de Amerikaanse cijfers 14,6% (“ooit”-gebruik), 5,1% (laatste 12 maanden) en 1,7% (laatste 30 dagen), terwijl de gemiddelde EU-cijfers voor 15- tot 34-jarigen respectievelijk ongeveer 5% (“ooit”-gebruik), 2% (laatste 12 maanden) en 1% (laatste 30 dagen) bedroegen.

Trends in cocaïnegebruik


Figuur 7 Trends in recent gebruik (laatste 12 maanden) van cocaïne onder jongvolwassenen (15-34 jaar)

Figuur 7

NB:

(1) In Denemarken heeft de waarde voor 1994 betrekking op “hard drugs”.

De gegevens zijn ontleend aan de meest recente nationale enquêtes die in elk land beschikbaar waren op het moment van rapportage. Zie voor nadere informatie tabel GPS-4 in het Statistical Bulletin 2006.

Bronnen:

Nationale Reitox-verslagen (2005), gebaseerd op enquêtes onder de bevolking, onderzoeksverslagen of wetenschappelijke artikelen.

print


Er wordt al meerdere jaren gewaarschuwd voor een mogelijke toename van het cocaïnegebruik in Europa, op basis van verschillende bronnen (b.v. marktindicatoren, aanvragen voor behandeling, sterfgevallen). Doordat meer landen regelmatig onderzoek doen komt er steeds meer informatie over de ontwikkeling van het cocaïnegebruik beschikbaar. Niettemin zijn de gegevens nog altijd beperkt. Bijkomende problemen in het geval van cocaïne zijn de lagere prevalentieniveaus en de mogelijke onderrapportage van het gebruik.

Het recent gebruik van cocaïne (laatste 12 maanden) onder jongvolwassenen liet in de tweede helft van de jaren negentig een opvallende stijging zien in het Verenigd Koninkrijk (tot 2000) en in Spanje (tot 2001); de afgelopen jaren lijkt een stabilisering te zijn opgetreden. In Duitsland werd in de jaren negentig een bescheiden toename waargenomen, maar de afgelopen jaren zijn de cijfers stabiel gebleven op een aanmerkelijk lager niveau dan in Spanje en het Verenigd Koninkrijk (Figuur 7).

Een bescheiden stijging in het recent gebruik (laatste 12 maanden) is waargenomen in Denemarken (tot 2000), Italië, Hongarije, Nederland (tot 2001) en Noorwegen. Aangezien deze trend op slechts twee enquêtes per land is gebaseerd, dient deze met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.

In het geval van cocaïne en andere stoffen (b.v. ecstasy, amfetaminen, hallucinogene paddestoelen) zouden trends beter kunnen worden onderkend door de analyse toe te spitsen op groepen waarin het gebruik van de drug zich concentreert, in het bijzonder jongeren in stedelijke gebieden. Deze populaties worden uitvoeriger onderzocht in de speciale kwestie over drugsgebruik in recreatieve settings. Daarnaast dient informatie uit enquêtes te worden gecomplementeerd met gerichte onderzoeken onder jongeren in geselecteerde groepen (nachtleven).

Gegevens over de vraag naar behandeling (150)

Cocaïne is na opioïden en cannabis de drug die het meest wordt genoemd als reden om in behandeling te gaan; de drug was in 2004 goed voor ongeveer 8 % van alle aanvragen voor behandeling in de gehele EU (151). Er zij op gewezen dat Spanje, een land dat over het algemeen een hoge vraag naar behandeling vanwege cocaïne rapporteert, nog geen gegevens heeft geleverd. Achter dit algemene percentage gaat een grote variatie tussen landen schuil: in de meeste landen is de vraag naar behandeling vanwege cocaïne vrij laag, maar in Nederland (37%) en in Spanje (in het verleden, met 26% in 2002) maken druggebruikers die voor cocaïnegebruik behandeld willen worden een veel groter deel uit van alle cliënten die in behandeling gaan. In de laatst beschikbare gegevens ligt voor een deel van de rapporterende landen het aandeel van cocaïnecliënten als percentage van alle cliënten in behandeling tussen de 5% en de 10% (Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Cyprus, Malta, het Verenigd Koninkrijk en Turkije), terwijl dat aandeel in de overige landen zeer laag is (152). In meerdere landen is het percentage cliënten dat primair voor cocaïnegebruik in behandeling gaat hoger onder nieuwe cliënten dan onder alle cliënten (153). In totaal heeft volgens de rapportages rond 12% van alle nieuwe aanvragen voor behandeling betrekking op cocaïne. Verder noemt ongeveer 12% van de nieuwe cliënten cocaïne als secundaire drug (154).

De in eerdere jaren gerapporteerde stijging in het aantal cliënten dat in behandeling gaat vanwege cocaïnegebruik, zet door; uit een analyse over de periode 1999-2004, waarbij wordt geïnterpoleerd voor ontbrekende gegevens, komt naar voren dat het percentage nieuwe cliënten dat in behandeling gaat voor cocaïnegebruik in deze periode is toegenomen van ongeveer 10 tot 20% (gebaseerd op 17 EU-landen plus Bulgarije en Roemenië) (155).

Over het geheel genomen houden de meeste aanvragen voor behandeling vanwege cocaïne in Europa geen verband met crack-cocaïne: van ongeveer 80% van de nieuwe ambulante cliënten wordt gemeld dat ze cocaïne-hydrochloride (cocaïnepoeder) gebruiken, terwijl minder dan 20% crack-cocaïne gebruikt. Gebruikers van crack-cocaïne kunnen echter specifieke problemen opleveren voor de drugshulpverlening, omdat zij een meer gemarginaliseerd sociaal profiel plegen te hebben dan gebruikers van cocaïnepoeder. In een Europees onderzoek naar cocaïnegebruik (poeder en crack-cocaïne) werd een verband gevonden tussen crackgebruik en sociale problemen en geestelijke gezondheidsproblemen, waarbij echter werd aangetekend dat het gebruik van crack-cocaïne op zichzelf niet voldoende is om deze problemen te verklaren (Haasen et al., 2005). Uit een recent onderzoek onder 585 cocaïne- en crackcliënten in Schotland kwam naar voren dat crackgebruikers vaker een langere geschiedenis van drugsproblemen hebben en vaker betrokken zijn geweest bij criminele activiteiten (Neale en Robertson, 2004, geciteerd in het nationale verslag van het Verenigd Koninkrijk).

Uit het profiel van cocaïnecliënten in extramurale settings blijkt dat nieuwe cliënten die cocaïne als primaire drug gebruiken meestal ouder zijn dan andere drugsgebruikers: 70% hoort tot de leeftijdsgroep van 20 tot 34 jaar en een kleinere groep (13 %) is tussen de 35 en 39 jaar oud (156).

Cocaïne wordt veelal gebruikt in combinatie met een andere illegale of legale secundaire drug; vaak betreft het cannabis (31,6%) opioïden (28,6%) of alcohol (17,4%) (157). Lokale onderzoeken naar drugsspuiters doen vermoeden dat de combinatie van heroïne en cocaïne in één spuit (door de drugsspuiters zelf soms “speedballing” genoemd) in bepaalde gebieden aan populariteit wint. De combinatie van opioïden en cocaïne is op dit moment duidelijker aanwijsbaar in de behandelingsgegevens. Van de cliënten die aangeven primair opioïden te gebruiken, verklaart 31% in Italië, 42% in Nederland en 44% in het Verenigd Koninkrijk cocaïne als secundaire drug te gebruiken. Van de primaire cocaïnegebruikers noemt 28% in Italië en 38% in het Verenigd Koninkrijk opioïden als secundaire drug.

Behandeling van cocaïneverslaving

Er is niet genoeg bewijs ter ondersteuning van een farmacologische behandeling voor verslaving aan cocaïne of andere psychostimulantia. In hun uitvoerige overzicht van het gebruik van farmacotherapieën voor gebruikers van psychostimulantia stellen Shearer en Gowing (2004) echter vast dat substitutietherapie – hoewel succesvol voor opioïden- en nicotineverslaving en in principe geschikt om gebruikers te bewegen in behandeling te gaan en te blijven – nog niet afdoende is getest voor gebruikers van stimulerende middelen. Onlangs heeft het EWDD een literatuuronderzoek gepubliceerd over maatregelen inzake en de effectiviteit van de behandeling van cocaïneverslaving, waarin eveneens wordt ingegaan op maatregelen inzake geestelijke gezondheidsstoornissen onder gebruikers van crack-cocaïne (158).

In sommige landen, waaronder de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, wordt op dit moment aanzienlijk geïnvesteerd in het opbouwen van behandelmogelijkheden met immunotherapie door antistoffen te ontwikkelen die cocaïne in de bloedbaan kunnen onderscheppen voordat de stof het centrale zenuwstelsel bereikt (zie het kader over immunotherapie voor cocaïneverslaafden).


Kader 13: Immunotherapie voor cocaïneverslaafden

In tegenstelling tot heroïneverslaving, die behandeld kan worden met agonisten als methadon of met antagonisten als naltrexon, zijn er momenteel geen medische behandelwijzen voorhanden voor cocaïneverslaving. De reden hiervoor lijkt gelegen te zijn in het mechanisme van de werking van cocaïne, een stof die effect heeft op de neurotransmitters dopamine en serotonine in de hersenen. Terwijl heroïne zich bindt aan de opioïdereceptoren in de hersenen, zoals de mu-receptoren, en op die manier de werking nabootst van de eigen endorfinen van de hersenen, blokkeert cocaïne juist de reabsorptie van dopamine (alsook van serotonine) uit de neuronale synaps zodra de stof zijn effect heeft gehad, hetgeen een ophoping van de transmitter tot gevolg heeft, waardoor zijn werking wordt verlengd en versterkt.

Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat het onmogelijk is een medische behandeling voor cocaïneverslaving te ontwikkelen, maar wel dat dit moeilijker te realiseren kan zijn en dat hierbij andere concepten een rol kunnen spelen dan die welke gebruikt worden voor de ontwikkeling van behandelingen voor heroïneverslaving.

Een interessante onderzoeksrichting is het gebruik van immunotherapie, oftewel de ontwikkeling van een vaccin dat de werking van cocaïne daadwerkelijk zou “neutraliseren” door te voorkomen dat de drug de hersenen bereikt. Het onderliggende concept is op beperkte schaal getest. Een in het Verenigd Koninkrijk ontwikkeld vaccin werd getest op een klein aantal cocaïneverslaafden, 18 in totaal, gedurende een periode van 14 weken. De uitkomst was dat driekwart van de gevaccineerde groep cocaïneverslaafden erin slaagde om gedurende een periode van drie maanden drugsvrij te blijven zonder ongewenste bijwerkingen. Bovendien verklaarden zowel degenen die terugvielen in hun oude gedrag als degenen die dat niet deden na zes maanden dat de gevoelens van euforie niet meer zo sterk waren als voor de vaccinatie. Het resultaat van deze bevindingen is dat het vaccin, dat bekendstaat als het drug-eiwitconjugaat TA-CD, zich in een tweede fase van klinische proeven bevindt. Een alternatieve immunotherapeutische benadering is gebaseerd op de ontwikkeling van monoklonale antilichamen tegen cocaïne, maar daarmee zijn alleen nog preklinische testen gedaan.

Het potentiële voordeel van het cocaïnevaccin TA-CD heeft geleid tot bezorgdheid op ethische gronden over het gebruik van het vaccin: wie krijgt het, wie besluit daartoe en op basis van welke criteria, e.d.


Tegenwoordig geldt het combineren van verschillende specifieke psychosociale behandelingsinterventies als de meest veelbelovende behandelmogelijkheid voor gebruikers van cocaïne en andere psychostimulantia. Van een combinatie van de Community Reinforcement Approach (CRA) met contingency management is gebleken dat het cocaïnegebruik er op de korte termijn mee kan worden teruggedrongen (Higgins et al., 2003; Roozen et al., 2004).

CRA is een intensieve behandelmethode waarbij gedurende de gehele behandeling een beroep wordt gedaan op familie, vrienden en andere leden van het sociale netwerk van de cliënt. De behandeling omvat training van de cliënten in het leggen van sociale contacten, verbetering van het zelfbeeld en hulp bij het vinden van werk en bevredigende vrijetijdsbestedingen, om zo een andere levensstijl op te bouwen (Roozen et al., 2004). In combinatie met contingency management – een methode die erop gericht is het gedrag van cliënten te beïnvloeden door het geven van beloningen, d.w.z. prijzen, tegoedbonnen of voorrechten, voor cocaïnevrije urinemonsters – zijn met CRA positieve resultaten behaald als het gaat om het drugsgebruik en het psychosociale functioneren van cocaïneverslaafde ambulante cliënten, zowel tijdens de behandelfase als tijdens de aansluitende follow-upperiode, al leken de effecten op het cocaïnegebruik beperkt te blijven tot de behandelperiode (Higgins et al., 2003).

Nieuwe benaderingen voor de zeer problematische groepen van heroïnegebruikers die ook cocaïne of crack-cocaïne gebruiken, zijn toegespitst op schadebeperking als primair doel van de behandeling. Hierbij worden gedragstherapieën toegepast, in het bijzonder contingency management, in combinatie met onderhoudsbehandelingen met methadon en behandeling met behulp van heroïne (Schottenfeld et al., 2005; van den Brink, 2005; Poling et al., 2006).

Schadebeperkende maatregelen

In Europa zijn schadebeperkende maatregelen ten aanzien van cocaïnegebruik slechts beperkt ontwikkeld. Hier zou nu verandering in kunnen komen, want door een groeiende bewustwording van zowel de omvang van het cocaïnegebruik als de problemen die ermee samenhangen wordt het interessanter om maatregelen te ontwikkelen waarmee aan de behoeften van cocaïnegebruikers tegemoet kan worden gekomen. Er is nog zeer weinig onderzoek gedaan naar de waarde van preventie- en schadebeperkende maatregelen voor het beperken van de risico’s van cocaïnegebruik, maar een aantal gebieden zou potentieel kunnen hebben voor het ontwikkelen van dergelijke maatregelen. Zo zouden cocaïnegebruikers baat kunnen hebben bij interventies die gericht zijn op problemen als de verhoogde toxiciteit van gecombineerd cocaïne- en alcoholgebruik, de mogelijke samenhang tussen cocaïnegebruik en cardiovasculaire problemen of gedragsaspecten waardoor gebruikers een verhoogde kans lopen om met HIV te worden geïnfecteerd of het slachtoffer te worden van een ongeval of een geweldsmisdrijf. Aangezien cocaïnegebruik snel uit de hand kan lopen, zijn korte interventies om gebruikers te waarschuwen dat zij negatieve gevolgen van het gebruik van de drug zouden kunnen beginnen te ondervinden, wellicht eveneens de moeite van het onderzoeken waard.

Vanwege de ernstige sociale en gezondheidsproblemen waarmee het gebruik van crack-cocaïne gepaard gaat, is er meer ervaring met het ontwikkelen van hulpverlening voor deze groep, hoewel deze activiteiten beperkt zijn tot het relatief beperkte aantal steden in Europa dat met een aanzienlijk crack-cocaïneprobleem te maken heeft gehad. In een aantal steden zijn crack-cocaïnegebruikers benaderd via straathoekprogramma’s, waarmee wordt geprobeerd in contact te komen met deze groep, die dikwijls beschouwd wordt als een moeilijke groep om mee te werken. Hoewel het bewijs over het geheel genomen betrekkelijk zwak blijft, lijkt uit sommige onderzoeken geconcludeerd te kunnen worden dat meer positieve resultaten niet uitgesloten zijn. Zo zijn in een onderzoek naar een innovatief straathoekwerk-behandelingsprogramma in Rotterdam (Henskens, 2004, geciteerd in het Nederlandse nationale verslag) factoren in kaart gebracht die van belang zijn gebleken voor het behandelen van deze categorie cliënten, die via de conventionele drugshulpverlening dikwijls moeilijk te bereiken is.

Dwangmatige crack- of cocaïnegebruikspatronen kunnen in verband worden gebracht met het nemen van grotere risico’s op het gebied van de seksuele gezondheid. Sommige laagdrempelige programma’s zijn dan ook speciaal gericht op crackgebruikers in de prostitutie, om hun adviezen te geven voor veiliger seksueel gedrag en drugsgebruik, en om condooms en glijmiddelen uit te delen (zie de speciale kwestie over gender).

In sommige steden in Europa is voor een meer omstreden benadering gekozen: daar is het concept van veilige gebruikersruimten, die normaal gesproken bedoeld zijn voor het spuiten van drugs, uitgebreid tot het inhaleren van drugs. In verscheidene Nederlandse, Duitse en Zwitserse steden zijn ruimten geopend voor inhalatie onder toezicht (EWDD, 2004c). Hoewel toezicht op de gebruikshygiëne het hoofddoel vormt van dergelijke diensten, zijn er aanwijzingen dat ze ook zouden kunnen dienen als ingang tot andere zorgmogelijkheden. De toezichthouders van een dienst in de Duitse stad Frankfurt rapporteerden bijvoorbeeld dat er gedurende een evaluatieperiode van een halfjaar in 2004 meer dan 1 400 keer onder toezicht crack-cocaïne was gebruikt, waarbij 332 contactgesprekken, 40 adviessessies en 99 verwijzingen naar andere drugsdiensten werden gedocumenteerd.


(133) Zie ‘Interpretatie van vangsten en andere marktgegevens’.

(134) Alle vluchten vanuit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname, Peru, Venezuela en Ecuador worden 100% gecontroleerd; in 2004 werden bij dergelijke controles 3 466 drugskoeriers en bij reguliere controles 620 drugskoeriers gearresteerd (Nederlands nationaal verslag).

(135) Dit moet getoetst worden zodra de nog ontbrekende gegevens over 2004 beschikbaar zijn. Gegevens over zowel het aantal cocaïnevangsten als de hoeveelheid in beslag genomen cocaïne in 2004 waren niet beschikbaar voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk; gegevens over het aantal cocaïnevangsten in 2004 waren niet beschikbaar voor Nederland. Om een schatting mogelijk te maken, zijn de ontbrekende gegevens over 2004 vervangen door de gegevens over 2003. De gegevens die Nederland heeft verschaft over de in 2004 in beslag genomen hoeveelheden zijn op schattingen gebaseerd en zijn niet verwerkt in de analyse van de trends tot en met 2004.

(136) Zie tabel SZR-9 in het Statistical Bulletin 2006.

(137) Zie tabel SZR-10 in het Statistical Bulletin 2006.

(138) Zie tabel PPP-3 in het Statistical Bulletin 2006.

(139) Hierbij is 1999 als referentiejaar genomen voor de geldwaarde in alle landen.

(140) Voor de periode 1999-2004 waren voor ten minste drie opeenvolgende jaren gegevens over cocaïneprijzen beschikbaar in België, Tsjechië, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Portugal, Slovenië, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Bulgarije, Turkije en Noorwegen.

(141) Zie tabel PPP-7 in het Statistical Bulletin 2006.

(142) Voor de periode 1999-2004 waren voor ten minste drie opeenvolgende jaren gegevens over de zuiverheid van cocaïne beschikbaar in België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slowakije, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.

(143) Precursor die wordt gebruikt bij de productie van cocaïne en die is opgenomen in Tabel I van het Verdrag van 1988.

(144) Gegevens over de volumes van de verschillende in beslag genomen zendingen ontbreken.

(145)  Gebaseerd op het gewogen gemiddelde van nationale cijfers; zie voor meer details voetnoot (4)

(146) Zie voor gedetailleerde cijfers voor ieder land apart de tabel in "General population surveys of drug use" in het Statistical Bulletin 2006.

(147) Zie figuur GPS-9 in het Statistical Bulletin 2006.

(148) Enquête van 2001. Voor de enquête van 2003 werd geen uitsplitsing naar geslacht per leeftijdsgroep van 10 jaar gerapporteerd.

(149)  Bron: SAMHSA, Office of Applied Studies, 2004 National Survey on Drug Use and Health (http://oas.samhsa.gov/nsduh.htm#nsduhinfo). Opgemerkt dient te worden dat het leeftijdsbereik in het Amerikaanse onderzoek (12 jaar en ouder) breder is dan het leeftijdsbereik dat het EWDD standaard aanhoudt voor Europese enquêtes (15-64 jaar). De resultaten voor "jongvolwassenen" (16-34 jaar) uit het Amerikaanse onderzoek zijn door het EWDD herberekend..

(150) Zie voetnoot (70).

(151) Zie figuur TDI-2 in het Statistical Bulletin 2006.

(152) Zie tabel TDI-5 in het Statistical Bulletin 2006. De gegevens voor Spanje betreffen het verslagjaar 2002.

(153) Zie tabel TDI-4 in het Statistical Bulletin 2006.

(154) Zie tabel TDI-23 in het Statistical Bulletin 2006.

(155) Zie figuur TDI-1 in het Statistical Bulletin 2006.

(156) Zie tabel TDI-10 het Statistical Bulletin 2006.

(157) Zie tabel TDI-24 het Statistical Bulletin 2006.

(158www.emcdda.europa.eu/?nnodeid=400